Skip to content

Aanvallen: Dutch verb forms

aanvallen viel aan aangevallen

to attack

/ˈaːnvɑlə(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
ikval aanviel aanheb aangevallen
jij, uvalt aanviel aanhebt aangevallen
hij, zij, hetvalt aanviel aanheeft aangevallen
wij, jullie, zijvallen aanvielen aanhebben aangevallen
  • Past participle: aangevallen, with hebben.
  • Aanvallen is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik val aan”.

Meaning in English

  1. to attack

Remember aanvallen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)