Skip to content

Opereren: Dutch verb conjugation

opereren opereerde geopereerd

to operate (perform surgery)

Conjugation of opereren

PersonPresentPastPerfect
ikopereeropereerdeheb geopereerd
jij, uopereertopereerdehebt geopereerd
hij, zij, hetopereertopereerdeheeft geopereerd
wij, jullie, zijopererenopereerdenhebben geopereerd
  • Past participle: geopereerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to operate (perform surgery)

Remember opereren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)