Uitbreken: Dutch verb conjugation
uitbreken brak uit uitgebroken
break out
Conjugation of uitbreken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | breek uit | brak uit | heb uitgebroken |
| jij, u | breekt uit | brak uit | hebt uitgebroken |
| hij, zij, het | breekt uit | brak uit | heeft uitgebroken |
| wij, jullie, zij | breken uit | braken uit | hebben uitgebroken |
- Past participle: uitgebroken, with hebben.
- Uitbreken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik breek uit”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- break out
Remember uitbreken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone