Skip to content

Uitbreken: Dutch verb conjugation

uitbreken brak uit uitgebroken

break out

Conjugation of uitbreken

PersonPresentPastPerfect
ikbreek uitbrak uitheb uitgebroken
jij, ubreekt uitbrak uithebt uitgebroken
hij, zij, hetbreekt uitbrak uitheeft uitgebroken
wij, jullie, zijbreken uitbraken uithebben uitgebroken

Meaning in English

  1. break out

Remember uitbreken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)