Voorbereiden: Dutch verb conjugation
voorbereiden bereidde voor voorbereid
to prepare
/ˈvoːr.bəˌrɛi̯.də(n)/
Conjugation of voorbereiden
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | bereid voor | bereidde voor | heb voorbereid |
| jij, u | bereidt voor | bereidde voor | hebt voorbereid |
| hij, zij, het | bereidt voor | bereidde voor | heeft voorbereid |
| wij, jullie, zij | bereiden voor | bereidden voor | hebben voorbereid |
- Past participle: voorbereid, with hebben.
- Voorbereiden is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik bereid voor”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to prepare
Remember voorbereiden with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone