Controleren: Dutch verb forms
controleren controleerde gecontroleerd
to check
/kɔntroːˈleːrə(n)/
Conjugation
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | controleer | controleerde | heb gecontroleerd |
| jij, u | controleert | controleerde | hebt gecontroleerd |
| hij, zij, het | controleert | controleerde | heeft gecontroleerd |
| wij, jullie, zij | controleren | controleerden | hebben gecontroleerd |
- Past participle: gecontroleerd, with hebben.
Meaning in English
- to check
- to control
Remember controleren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone