Skip to content

Controleren: Dutch verb forms

controleren controleerde gecontroleerd

to check

/kɔntroːˈleːrə(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
ikcontroleercontroleerdeheb gecontroleerd
jij, ucontroleertcontroleerdehebt gecontroleerd
hij, zij, hetcontroleertcontroleerdeheeft gecontroleerd
wij, jullie, zijcontrolerencontroleerdenhebben gecontroleerd
  • Past participle: gecontroleerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to check
  2. to control

Remember controleren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)