Skip to content

Verzinnen: Dutch verb conjugation

verzinnen verzon verzonnen

to invent, to make up

/vərˈzɪnə(n)/

Conjugation of verzinnen

PersonPresentPastPerfect
ikverzinverzonheb verzonnen
jij, uverzintverzonhebt verzonnen
hij, zij, hetverzintverzonheeft verzonnen
wij, jullie, zijverzinnenverzonnenhebben verzonnen
  • Past participle: verzonnen, with hebben.

Meaning in English

  1. to invent, to make up

Remember verzinnen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)