Onderhandelen: Dutch verb conjugation
onderhandelen onderhandelde onderhandeld
to negotiate
/ˌɔn.dərˈɦɑn.də.lə(n)/
Conjugation of onderhandelen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | onderhandel | onderhandelde | heb onderhandeld |
| jij, u | onderhandelt | onderhandelde | hebt onderhandeld |
| hij, zij, het | onderhandelt | onderhandelde | heeft onderhandeld |
| wij, jullie, zij | onderhandelen | onderhandelden | hebben onderhandeld |
- Past participle: onderhandeld, with hebben.
Meaning in English
- to negotiate
Remember onderhandelen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone