Voorlezen: Dutch verb conjugation
voorlezen las voor voorgelezen
to read aloud
/ˈvoːrˌleː.zə(n)/
Conjugation of voorlezen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | lees voor | las voor | heb voorgelezen |
| jij, u | leest voor | las voor | hebt voorgelezen |
| hij, zij, het | leest voor | las voor | heeft voorgelezen |
| wij, jullie, zij | lezen voor | lazen voor | hebben voorgelezen |
- Past participle: voorgelezen, with hebben.
- Voorlezen is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik lees voor”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to read aloud
Remember voorlezen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone