Skip to content

Voorlezen: Dutch verb conjugation

voorlezen las voor voorgelezen

to read aloud

/ˈvoːrˌleː.zə(n)/

Conjugation of voorlezen

PersonPresentPastPerfect
iklees voorlas voorheb voorgelezen
jij, uleest voorlas voorhebt voorgelezen
hij, zij, hetleest voorlas voorheeft voorgelezen
wij, jullie, zijlezen voorlazen voorhebben voorgelezen

Meaning in English

  1. to read aloud

Remember voorlezen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)