Skip to content

Rijden: Dutch verb forms

rijden reed gereden

to ride

/ˈrɛi̯də(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
ikrijreedheb gereden
jij, urijdtreedhebt gereden
hij, zij, hetrijdtreedheeft gereden
wij, jullie, zijrijdenredenhebben gereden
  • Past participle: gereden, with hebben.

Meaning in English

  1. to ride
  2. to drive

Remember rijden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)