Afstuderen: Dutch verb conjugation
afstuderen studeerde af afgestudeerd
to graduate: successfully complete one's studies
/ˈɑfstydeːrə(n)/
Conjugation of afstuderen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | studeer af | studeerde af | heb afgestudeerd |
| jij, u | studeert af | studeerde af | hebt afgestudeerd |
| hij, zij, het | studeert af | studeerde af | heeft afgestudeerd |
| wij, jullie, zij | studeren af | studeerden af | hebben afgestudeerd |
- Past participle: afgestudeerd, with hebben.
- Afstuderen is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik studeer af”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to graduate: successfully complete one's studies
Remember afstuderen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone