Skip to content

Optrekken: Dutch verb conjugation

optrekken trok op opgetrokken

to pull up

/ˈɔpˌtrɛ.kə(n)/

Conjugation of optrekken

PersonPresentPastPerfect
iktrek optrok opheb opgetrokken
jij, utrekt optrok ophebt opgetrokken
hij, zij, hettrekt optrok opheeft opgetrokken
wij, jullie, zijtrekken optrokken ophebben opgetrokken

Meaning in English

  1. to pull up
  2. to rise up (against)
  3. to accelerate
  4. to build
  5. to hang out with

Remember optrekken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)