Skip to content

Naaien: Dutch verb conjugation

naaien naaide genaaid

to sew

/ˈnaːi̯ə(n)/

Conjugation of naaien

PersonPresentPastPerfect
iknaainaaideheb genaaid
jij, unaaitnaaidehebt genaaid
hij, zij, hetnaaitnaaideheeft genaaid
wij, jullie, zijnaaiennaaidenhebben genaaid
  • Past participle: genaaid, with hebben.

Meaning in English

  1. to sew

Remember naaien with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)