Verzekeren: Dutch verb conjugation
verzekeren verzekerde verzekerd
to assure
/vərˈzeː.kə.rə(n)/
Conjugation of verzekeren
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | verzeker | verzekerde | heb verzekerd |
| jij, u | verzekert | verzekerde | hebt verzekerd |
| hij, zij, het | verzekert | verzekerde | heeft verzekerd |
| wij, jullie, zij | verzekeren | verzekerden | hebben verzekerd |
- Past participle: verzekerd, with hebben.
Meaning in English
- to assure
- to insure
Remember verzekeren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone