Skip to content

Samenwerken: Dutch verb conjugation

samenwerken werkte samen samengewerkt

to cooperate, collaborate

Conjugation of samenwerken

PersonPresentPastPerfect
ikwerk samenwerkte samenheb samengewerkt
jij, uwerkt samenwerkte samenhebt samengewerkt
hij, zij, hetwerkt samenwerkte samenheeft samengewerkt
wij, jullie, zijwerken samenwerkten samenhebben samengewerkt

Meaning in English

  1. to cooperate, collaborate

Remember samenwerken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)