Samenwerken: Dutch verb conjugation
samenwerken werkte samen samengewerkt
to cooperate, collaborate
Conjugation of samenwerken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | werk samen | werkte samen | heb samengewerkt |
| jij, u | werkt samen | werkte samen | hebt samengewerkt |
| hij, zij, het | werkt samen | werkte samen | heeft samengewerkt |
| wij, jullie, zij | werken samen | werkten samen | hebben samengewerkt |
- Past participle: samengewerkt, with hebben.
- Samenwerken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik werk samen”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to cooperate, collaborate
Remember samenwerken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone