Skip to content

Zeggen: Dutch verb forms

zeggen zei gezegd

to say, tell

/ˈzɛɣə(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
ikzegzeiheb gezegd
jij, uzegtzeihebt gezegd
hij, zij, hetzegtzeiheeft gezegd
wij, jullie, zijzeggenzeidenhebben gezegd
  • Past participle: gezegd, with hebben.

Meaning in English

  1. to say, tell

Remember zeggen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)