Skip to content

Flauwvallen: Dutch verb conjugation

flauwvallen viel flauw flauwgevallen

to faint

/ˈflɑu̯vɑlə(n)/

Conjugation of flauwvallen

PersonPresentPastPerfect
ikval flauwviel flauwben flauwgevallen
jij, uvalt flauwviel flauwbent flauwgevallen
hij, zij, hetvalt flauwviel flauwis flauwgevallen
wij, jullie, zijvallen flauwvielen flauwzijn flauwgevallen

Meaning in English

  1. to faint

Remember flauwvallen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)