Skip to content

Overplaatsen: Dutch verb conjugation

overplaatsen plaatste over overgeplaatst

to transfer

/ˈoː.vərˌplaːt.sə(n)/

Conjugation of overplaatsen

PersonPresentPastPerfect
ikplaats overplaatste overheb overgeplaatst
jij, uplaatst overplaatste overhebt overgeplaatst
hij, zij, hetplaatst overplaatste overheeft overgeplaatst
wij, jullie, zijplaatsen overplaatsten overhebben overgeplaatst

Meaning in English

  1. to transfer

Remember overplaatsen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)