Doormaken: Dutch verb conjugation
doormaken maakte door doorgemaakt
to go through, to experience
/ˈdoːrˌmaː.kə(n)/
Conjugation of doormaken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | maak door | maakte door | heb doorgemaakt |
| jij, u | maakt door | maakte door | hebt doorgemaakt |
| hij, zij, het | maakt door | maakte door | heeft doorgemaakt |
| wij, jullie, zij | maken door | maakten door | hebben doorgemaakt |
- Past participle: doorgemaakt, with hebben.
- Doormaken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik maak door”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to go through, to experience
Remember doormaken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone