Aankondigen: Dutch verb conjugation
aankondigen kondigde aan aangekondigd
to announce
/ˈaːŋkɔndəɣə(n)/
Conjugation of aankondigen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | kondig aan | kondigde aan | heb aangekondigd |
| jij, u | kondigt aan | kondigde aan | hebt aangekondigd |
| hij, zij, het | kondigt aan | kondigde aan | heeft aangekondigd |
| wij, jullie, zij | kondigen aan | kondigden aan | hebben aangekondigd |
- Past participle: aangekondigd, with hebben.
- Aankondigen is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik kondig aan”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to announce
Remember aankondigen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone