Skip to content

Annuleren: Dutch verb conjugation

annuleren annuleerde geannuleerd

to cancel

/ɑnyˈleːrə(n)/

Conjugation of annuleren

PersonPresentPastPerfect
ikannuleerannuleerdeheb geannuleerd
jij, uannuleertannuleerdehebt geannuleerd
hij, zij, hetannuleertannuleerdeheeft geannuleerd
wij, jullie, zijannulerenannuleerdenhebben geannuleerd
  • Past participle: geannuleerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to cancel
  2. to annul

Remember annuleren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)