Skip to content

Afsnijden: Dutch verb conjugation

afsnijden sneed af afgesneden

to cut off

/ˈɑfˌsnɛi̯.də(n)/

Conjugation of afsnijden

PersonPresentPastPerfect
iksnij afsneed afheb afgesneden
jij, usnijdt afsneed afhebt afgesneden
hij, zij, hetsnijdt afsneed afheeft afgesneden
wij, jullie, zijsnijden afsneden afhebben afgesneden

Meaning in English

  1. to cut off
  2. to swerve a vehicle in front of (someone, another vehicle), causing hindrance; to cut off
  3. to take a shortcut

Remember afsnijden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)