Skip to content

Neerslaan: Dutch verb conjugation

neerslaan sloeg neer neergeslagen

to knock down

/ˈneːr.slaːn/

Conjugation of neerslaan

PersonPresentPastPerfect
iksla neersloeg neerheb neergeslagen
jij, uslaat neersloeg neerhebt neergeslagen
hij, zij, hetslaat neersloeg neerheeft neergeslagen
wij, jullie, zijslaan neersloegen neerhebben neergeslagen

Meaning in English

  1. to knock down
  2. to fall down, precipitate (of rain, mist, etc.)
  3. to precipitate
  4. to condense
  5. to choke, suppress

Remember neerslaan with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)