Skip to content

Voeden: Dutch verb conjugation

voeden voedde gevoed

to feed

Conjugation of voeden

PersonPresentPastPerfect
ikvoedvoeddeheb gevoed
jij, uvoedtvoeddehebt gevoed
hij, zij, hetvoedtvoeddeheeft gevoed
wij, jullie, zijvoedenvoeddenhebben gevoed
  • Past participle: gevoed, with hebben.

Meaning in English

  1. to feed

Remember voeden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)