Skip to content

Programmeren: Dutch verb conjugation

programmeren programmeerde geprogrammeerd

to program (schedule events)

Conjugation of programmeren

PersonPresentPastPerfect
ikprogrammeerprogrammeerdeheb geprogrammeerd
jij, uprogrammeertprogrammeerdehebt geprogrammeerd
hij, zij, hetprogrammeertprogrammeerdeheeft geprogrammeerd
wij, jullie, zijprogrammerenprogrammeerdenhebben geprogrammeerd
  • Past participle: geprogrammeerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to program (schedule events)
  2. to program (write computer code)

Remember programmeren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)