Programmeren: Dutch verb conjugation
programmeren programmeerde geprogrammeerd
to program (schedule events)
Conjugation of programmeren
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | programmeer | programmeerde | heb geprogrammeerd |
| jij, u | programmeert | programmeerde | hebt geprogrammeerd |
| hij, zij, het | programmeert | programmeerde | heeft geprogrammeerd |
| wij, jullie, zij | programmeren | programmeerden | hebben geprogrammeerd |
- Past participle: geprogrammeerd, with hebben.
Meaning in English
- to program (schedule events)
- to program (write computer code)
Remember programmeren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone